Categorie archief: Verhalen

Fictie. Hoewel …

Soms zit ’t mee

Share Button

Soms geeft het leven je een koekje van andermans deeg. In mijn geval door loten van de Postcodeloterij. Zo mag ik twee rijkelijk gevulde koekblikken ophalen bij de Praxis. Bij de bouwmarkt, omdat een mens na het eten van een pak spritsen nu eenmaal stevige trek krijgt in doe-t-zelven.

Over spritsen gesproken: omdat mijn familieleden doorgaans veel trek hebben en ik wil voorkomen de hond in de blikken te vinden, vergrijp ik me in de keuken (lees: uit het zicht) aan de inmiddels derde Nobo Sprits Melk. Mijn smaakpapillen beleven een orgastisch genoegen aan de combinatie van zand en chocola, terwijl ik aan de overkant van de straat iets opmerkelijks zie.

Een jonge vrouw komt aangelopen met de hondenriem losjes om haar nek. Terwijl ze linksaf gaat, is haar blik strak gericht op haar mobieltje. Waardoor ze niet ziet, dat haar zwarte dobermann voor rechtsaf kiest. Daar geurt kennelijk iets wat onweerstaanbaar is.

Na uitgebreid snuffelen en het afmaken met een plasje, gaat de kop van de viervoeter omhoog en kijkt hij om zich heen. Om te ontdekken dat zijn bazin is verdwenen. Waarna hij terug gaat naar Start. Een verstandig besluit, want thuiskomen, kun je beter doen vóór je verdwaalt.

Als ik zie dat de hond is teruggelopen en de bazin niet terugkeert, spoed ik mij – met de vierde sprits – naar de andere kant van ons huis. Naar het balkon, om daar te zien wat ik al hoopte: het jonge ding loopt over het wandelpad voorbij, nog steeds druk in de weer met haar telefoon. Het is als kijken naar een Funniest Home Video. Het is dan niet de vraag óf er iemand op z’n gezicht gaat, als wel hóe en vooral, hoe hard?

Mijn wens gaat zelfs meer dan in vervulling, want de vrouw merkt haar eenzaamheid pas op als ze honderd meter verder is. Daar beseft ze, dat er niets anders op zit dan haar koekje van eigen deeg door te slikken. Ik moet erom lachen, terwijl ik me bijna verslik in sprits nummer vijf.

Share Button

Geen redden meer aan

Share Button

Ik krijg een halve hartverzakking, als ik zie hoe ze achter het stuur zit. Haar hoofd ligt opzij, de mond half open en de blik op oneindig. Tel daarbij op dat haar lichtblauwe auto bijna dwars op de weg staat en dat deze daar blijft staan als het licht op groen gaat. Dit is foute boel.

Hoewel ik absoluut geen trek heb in een potje reanimeren (de eerste keer dat ik dat deed brak ik de ribben van het slachtoffer), parkeer ik mijn auto in de berm. Immers, ik ben christelijk opgevoed, de barmhartige Samaritaan indachtig.

Terwijl de adrenaline door mijn lijf giert, kijk ik eerst of er geen ander verkeer aankomt (eigen veiligheid eerst) en speur ik naar eventuele hulptroepen. Die vind ik in de persoon van een jonge meid, die in een witte auto achter die van het slachtoffer zit. Ik zeg haar 112 te bellen. Door de schrik vindt ze haar telefoon niet zo snel.

Even later zie ik – de Heer zij geprezen – dat er nog leven in mevrouw zit. Sterker nog: er is niets aan het handje en de traumaheli kan dus worden afbesteld. Dat ze er zo raar bijzat kwam doordat ze in plaats van rechtdoor, linksaf moest en werd verblind door de zon. ‘Maar wel heel lief van je’ voegt ze eraan toe.

Wat ook lief is van mij, is dat ik een paar dagen later bij de plaatselijke apotheek, het papiertje opraap van een oudere dame. Ze laat het vallen, omdat bij haar het licht uitgaat. Met een onaangenaam klinkende smak stort ze tegen de plavuizen. ‘Gaat u daar maar liggen’ denk ik nog.

Voordat het goed en wel tot mij doordringt dat hier wél redding nodig is, zijn twee anderen mij al voor. Een man met ruitjespet en een van de apothekersassistenten, knielen bij haar neer. Ik zie dat bij de assistente in gehurkte stand, haar bilnaad bloot is komen te liggen. Zoiets helpt relativeren.

Als de onfortuinlijke vrouw even later weer bijkomt, leg ik het papiertje op de balie en stel ik vast dat mijn hulp ook deze keer niet nodig is. Het enige wat ik op deze wereld kennelijk hoef te doen, is lief zijn. Daarmee moet ik het zien te redden.

Share Button